Saenredam
in Utrecht. Je houdt de adem in.
Mark Mastenbroek
Als
twaalfjarige had ik een passie voor treinen. In die periode was mijn
dierbaarste bezit dan ook een boek met foto’s van diesellocomotieven en ander
spoorwegmaterieel in Amerika. Later, toen deze storm allang tot bedaren was
gekomen, bladerde ik nog wel eens in dat boek. Daarbij werd ik echter getroffen
door een heel ander aspect. Want rond die locomotieven met hun wagons zag je
steevast een landschap, een rangeerterrein of een stukje stad. Het fascinerende
van die plaatjes lag in het gegeven, dat die donkerbruine loodsen in de stad
Boulder, de rivier met winterse bomen en een paar wandelaars ergens in Oregon
of dat stukje prairie in Oklahoma met een pick-up bij de spoorwegovergang,
nimmer bedoeld waren om in beeld te komen. En toch keek je via de rails naar de
werkelijkheid van die dag, op dat uur. Het lijkt een hele sprong van
diesellocomotieven in Amerika, naar de schilderijen en tekeningen van Pieter
Saenredam uit de hollandse Gouden Eeuw, die tot en met 4 Februari in het
Centraal Museum te Utrecht tentoongesteld zijn. Toch moest ik, ronddwalend door
die uitstalling, aan deze foto’s denken.
Pieter
Saenredam (1597-1665) schilderde en tekende tijdens zijn loopbaan alleen
interieurs van kerken, kerkgevels en voorts enkele pleinen waarop we ook
steevast godshuizen zien. Daarmee is de levenslange liefde van Saenredam voor
kerkarchitectuur al even monomaan als de kortstondige passie van een puber voor
zijn treinen. Voordat Saenredam aan een schilderij begon, doorgrondde hij het
onderhavige bouwwerk van onder tot boven. Als hij genoeg tijd had, klom hij met
de beiaardier in de toren, vergezelde de organist door de krochten van het
triforium en liet zich tijdens restauratiewerkzaamheden omhoogstuwen in een
stellingstoel tot vlak onder de gewelfbogen en ribben. Hij maakte schetsen
vanuit alle mogelijke hoeken. Aanzichten van gevels, uitsnedes van het
interieurperspectief en stukken van de gewelven van het plafond. Soms tekende
hij ook schijnbaar onbetekenende details als een afgebladderd stukje kalk.
Vervolgens mat hij alle onderdelen van het bouwwerk op, maakte plattegronden en
doorsneden. Het schilderij dat naar aanleiding van die schetsen en tekeningen
tenslotte ontstond, is op het gebied van de perspectief zo ongeveer de meest
onhaalbare uitdaging die je je kunt voorstellen. Vooral kerkinterieurs met hun
ingewikkelde ritmiek van zuilen en kruisribgewelven rond gebogen vlakken zijn
haast ondoenlijk.
Het
feit dat Saenredam op het gebied van de perspectief nu en dan een steekje laat
vallen en af en toe compromissen tussen de feitelijke perspectief en de door de
toeschouwer beleefde dieptewerking moet zien te organiseren, is echter niet zo
belangrijk. Belangrijk is, dat zijn kerkruimten op een heel bepaalde manier tot
leven komen. Eén van de middelen waarmee hij dat bereikt is het plaatsen van
mensfiguurtjes tussen de zuilen en pijlerbundels. Maar let op! Als enige grote
schilder uit de Gouden Eeuw is Saenredam helemaal niet in het fenomeen mens geïnteresseerd. Wat een
verschil met een Jan Steen, een Adriaen Brouwer, een Rembrandt. Of met Saenredams
populaire stadgenoot, de Haarlemmer Frans Hals! De passie van Saenredam betreft
niet de mens en zijn psychologie, maar de scheppingen van diens geest. En dan
vooral die scheppingen waarin de betrekking tot het goddelijke tot uitdrukking
komt in de ritmiek die doorkijkjes langs kerkzuilen en -bogen opleveren.
Daarbinnen is de mens slechts een detail, een nietig stukje stoffering, dat
ervoor zorgt dat je de ruimtelijkheid van het kerkinterieur maximaal kunt
ervaren. Bovendien versterken de paar menselijke figuurtjes in zijn kerken het
gevoel van toevalligheid. Ze staan of lopen daar in een achteloos soort
eenzaamheid, haast even willekeurig ‘gefotografeerd’ als de mens-figuurtjes en
landschappen in dat boek over treinen in Amerika.
Er
is nog een andere manier waarop Saenredam zijn interieurs tot leven wekt. In
het museum kun je een wandkalender kopen waarop kerkinterieurs van deze
schilder staan, met daaronder steeds een recente foto vanuit hetzelfde
standpunt dat de kunstenaar zo’n driehonderdvijftig jaar eerder innam. In
enkele gevallen zien we dan een verkeersweg met een aantal onaantrekkelijke
gebouwen en een voorbijrijdende tram: de kerk is gesloopt. Maar in een paar
gevallen is het onderhavige interieur nog intact. Dan zie je hoeveel ‘harder’
en contrastrijker een foto overkomt naast het kunstwerk. Saenredam realiseert
dankzij een transparant verfgebruik een soort ‘doorlaatbaarheid’ die zijn
kerken en pleinen doet opleven. Bovendien verzacht hij de tegenstelling tussen
bijvoorbeeld een donker muurvlak en een heldere raampartij met fel daglicht
daarbuiten, aanzienlijk. De enkele kerkinterieurs waarin géén mensen als
stoffering zijn aangebracht lijken door die ingrepen te ademen, haast als
zelfstandige wezens. Alsof het bouwwerk binnen een ‘muzikaal’ wordende stilte
de eigen bestaansgrond overdenkt. En onder die lege gewelfbogen lijkt het alsof
geesten uit 1636 nog steeds hun onzichtbare spel bedrijven en de lichtval door
het ijle stof bezwangeren.
In
1636 verbleef deze grootmeester van het perspectief een paar maanden te
Utrecht, de stad met een bisschopszetel, waarvan vaak werd gezegd dat Rome
dichterbij lag dan de Noordzee. Maar ten tijde van Saenredams bezoek – het
eigenlijke onderwerp van deze tentoonstelling – was er van die Rooms-Katholieke
bedrijvigheid weinig meer over. Sinds 1580 was overal de gereformeerde
eredienst ingevoerd. Veel Roomse godshuizen waren bij beeldenstormen
leeggeplunderd en vervolgens geconfisqueerd voor reformatorische predikingen.
Andere basilieken van het Utrechtse kapittel leidden een kommervol bestaan als
magazijn, kazerne of marktruimte. Toen Saenredam er zijn schetsen maakte,
werden de lage landen geteisterd door een pest-epidemie. Hoewel Utrecht er in
vergelijking met Saenredams thuisbasis Haarlem nog genadig van afkwam, stierven
in de maanden waarin Saenredam zijn schetsen maakte vermoedelijk meer dan 3000
Utrechtenaren aan deze gesel Gods.
Het
meest monumentale schilderij uit die Utrechtse periode – en misschien wel het
meest indrukwekkende doek uit heel het oeuvre van Saenredam – is het
stadsgezicht met de romaanse Mariakerk, gezien vanaf een groot plein, de
Mariaplaats. De Mariakerk, gesticht door bisschop Koenraad in de elfde eeuw,
was op dat moment leeggeruimd en had geen religieuze functie. Het voor
Nederland unieke bouwwerk, geconcipieerd volgens de principes van de
Noord-Italiaanse romaniek, is in de negentiende eeuw gesloopt. Het schilderij
is uitgeleend door het museum Boijmans-van Beuningen te Rotterdam. Interessant
genoeg stamt het doek uit 1662 en is dus pas zesentwintig jaar na dato op grond
van de tekeningen en schetsen uit 1636 vervaardigd. In het atelier van
Saenredam te Haarlem! Het is tekenend voor de in historisch opzicht
gewetensvolle – en ook misschien wel onverschillige – instelling van Saenredam
dat hij de kleine mensfiguurtjes op dat plein kleedde in de mode van 1636 en
niet in de stijl van 1662.
In
eerste instantie wekt de voorstelling van dit top-stuk geen enkele emotie op.
Tenminste, nergens wordt op dat doek ook maar de geringste menselijke dramatiek
uitgebeeld, geheel volgens de benadering van de schepper ervan. Het is een
natuurgetrouwe, gewetensvolle weergave van de Mariaplaats in 1636 waar
Stadsherstel en Monumentenzorg anno 2001 nog blij mee kunnen zijn. Het geeft de
noeste, enigszins verwaarloosde Mariakerk met omliggende huisjes goed weer
tegen de skyline van Utrecht met de Domtoren. De kleurstelling is, in weerwil
van de transparante werkwijze, een tikje vaal. De lucht is tamelijk lichtblauw.
Blauwer eigenlijk dan de avondlijke lichtval over de stille gebouwen zou
doen
verwachten. En dan, natuurlijk, slaat het noodlot toch toe. Uit onverwachte
hoek. Niet op het schilderij zelf, maar in de eigen zielestaat begint een
huivering. Want wat sta je daar alléén op dat immense plein! De avond valt, de
kleine figuurtjes in de verte zijn te anoniem, tezeer van hun eigen besognes
vervuld om oog te hebben voor jou. Juist omdat er geen oorlog wordt gevoerd, geen
slachtoffers van de pestepidemie worden begraven, geen carnavalsgasten het
plein doen vollopen met gebral, weet je zeker dat je hermetisch bent
opgesloten, buitengesloten.
De
vraag die zich vervolgens voordoet luidt: voelde Pieter Saenredam zich soms ook
zo? Was dít zijn innerlijke staat? Is dit eigenlijk vooral zíjn verhaal,
luttele jaren voor zijn dood in 1665? Er is te weinig over deze kunstenaar
bekend om hieromtrent zekerheid te bieden. Wanneer dit schilderij werkelijk je
innerlijke staat weergeeft, dan ben je er de man niet naar om daarover openlijk
te getuigen, zo lijkt me. Je houdt het stil. Je houdt de adem in.