Dick Ket in Arnhem.
Mark Mastenbroek
Dick Ket (1902-1940) schiep kunstwerken waar je op het eerste gezicht misschien aan voorbij loopt. Zijn kleine doeken en tekeningen lijken weinig spectaculair. Hij valt zo op het oog gemakkelijk te plaatsen binnen de categorie van de Nederlandse magisch realisten en nieuw-zakelijken als Carel Willink, Pyke Koch, en Jan Moesman. Schilders, die in hun doeken vaak – wellicht soms onbedoeld - de troosteloosheid van het dagelijks leven tussen de twee wereldoorlogen in beeld brachten. Zij deden dat meestal in een akelig precieze, door onbarmhartig scherpe licht-donker-effecten gekenmerkte schildertrant. Verlaten straten, eenzame wolkenluchten en bizarre ensceneringen roepen al snel associaties op met het surrealisme dat in 1924 in Frankrijk geboren werd. Maar er liggen niet alleen lijnen binnen de eigen tijdgeest. Bewondering voor de zogenaamde Vlaamse Primitieven, religieuze fijnschilders en miniaturisten uit de vijftiende eeuw, zette hen ertoe aan om álles wat zij weergaven in dezelfde perfectionistische detaillering uit te werken. Laag over laag, in een tot ambachtelijk meesterschap opgevoerde techniek, ontstonden aldus voorstellingen die altijd iets bevreemdends over zich hebben. Niet alleen vanwege de surrealistische rangschikking, maar vooral omdat op het schilderij een menselijk gezicht met dezelfde penseelbehandeling en precisie wordt weergegeven als een waterkan of een verweerd blind baksteengeveltje langs een achterstraat.
Toch emancipeerde voor mij Dick Ket zich geleidelijk uit dit groepje. Het begon ermee dat ik, aan een werk van Ket voorbijgelopen, op mijn schreden terugkeerde. Waar gingen die bleke zelfportretten en schijnbaar saaie stillevens eigenlijk over? Vervolgens kwam er, telkens wanneer ik een werk van Ket onder ogen kreeg, een dimensie bij. Ket groeide, laag over laag.
In tegenstelling tot het door uiterlijk succes verrijkte leven van zijn generatiegenoot Carel Willink bijvoorbeeld, is de biografie van Ket van meet af aan tragisch. Bij zijn geboorte werd een zeldzame hartafwijking geconstateerd die niet alleen de zekerheid bood dat een lang leven hem niet beschoren zou zijn, maar die bovendien in toenemende mate allerlei fysieke gebreken met zich bracht. Trommelvingers, een uitstulping bij zijn hart – dat bij hem overigens op de verkeerde plaats in de rechter borstkas klopte – en een steeds toenemende staat van uitputting noopten hem soms wekenlang het bed te houden. Het ouderlijk huis, respectievelijk te Den Helder, Den Haag, Hoorn, Ede en Bennekom, kon hij steeds moeilijker verlaten. Tenslotte kwam hij, geplaagd door straatvrees en vreemdelingenangst, helemaal nooit meer buiten.
Zieke icoon
De meest onthutsende getuigenissen van die innerlijke staat van Ket, vormen zijn zelfportretten. Om te beginnen zijn zij uniek omdat hij zichzelf – op een paar vroege uitzonderingen na – weergeeft als een anti-held, zonder dat hij ook maar in de buurt van de sentimentaliteit terechtkomt. In zijn monumentale Zelfportret voor de Spiegel uit 1931 zien we zijn bovenlichaam in Jaeger-ondergoed. Met een onbewogen, haast porselein-achtige staat van bevrorenheid aanschouwt hij zichzelf in de spiegel. Zijn ietwat zweterige huid met de zwarte piekhaar-sliert over het voorhoofd, is even exact uitgewerkt, met evenveel zorg en glans weergegeven, als het geëmailleerde spuugbakje beneden, of de medicijnfles tussen de gezwollen uiteinden van zijn trommelvingers. Het meest opmerkelijke aspect van dit schilderij is de ruimte. Het duurt al even voordat je beseft dat Ket zichzelf inderdaad voor een spiegel heeft geportretteerd. Dan heeft hij voor een standpunt gekozen, waarbij hij zo dicht op die spiegel zit, dat het tafeltje beneden met het kommetje, haast omhooggeklapt moet lijken. Schijnbaar klopt de perspectief niet. Vervolgens wordt duidelijk dat Ket zich in een zeer nauw kamertje of gangetje bevindt. De muur achter hem is in grauw-grijze tinten weergegeven en werkt daardoor somber, haast als een gevangenismuur. Er is beeldend gezien geen ontsnapping mogelijk uit deze staat van benauwenis. Er is geen raam met uitzicht, geen gezellig lampje dat sfeer biedt. Alleen een koud en zakelijk affiche in dezelfde as-kleuren met een strak koffiekopje en teksten die dankzij de spiegel onleesbaar zijn geworden, doorbreekt de monotonie van de muur. Fysiek is er geen uitkomst, en dus ook psychisch niet. Zo schetst Ket zichzelf als een zieke icoon, ingeklemd binnen de uitzichtloosheid van zijn beperkte en uiteindelijk fatale fysieke toestand.
De enige ontsnappingsclausule die Ket zichzelf schept, is een haast metafysische. Want hoewel Ket de ruimte perspectivisch uitermate correct weergeeft, ontstaat er toch een vermoeden van een soort boven-ruimtelijkheid in dit schilderij. In de eerste plaats omdat hij allerlei middelen aanwendt om de echte perspectief niet echt te doen lijken. Door vlak voor de spiegel te gaan zitten, bijvoorbeeld. En door op die muur achter zich dat affiche van de door hem bewonderde kubist Cassandre weer te geven, waarop het koffiekopje prijkt dat vanuit zijn geheel eigen perspectief is weergegeven. Een perspectief die natuurlijk niet spoort met de rest van de ruimte. Hoewel de werkelijkheid dus is zoals zij is, is zij niet wat zij lijkt. Uit die perspectivisch correcte ruimte, ontstaat aldus het vermoeden van een soort werkelijkheid die aan de wetmatigheden van de lijnperspectief, aan de aardse wetten, ontsnapt.
Vervolgens lijkt de geportretteerde op dit schilderij van dezelfde rangorde als de schijnbaar dode dingen om hem heen. Daarmee verdwijnt zijn staat van mens-zijn onder de mensen. Hij is hier ding temidden van dingen die, allen met dezelfde zorg en liefde voor het detail weergegeven, een soort eeuwig leven door hun oppervlakte lijken in te ademen. En uiteindelijk word jij, omdat je voor dat schilderij staat, en dus in diezelfde spiegel kijkt, een ogenblik Dick Ket. Even kun je door zijn ogen kijken, voor een moment kom je in de ding-achtige duurzaamheid en metafysische ruimtelijkheid terecht die Ket voor zichzelf schiep. Als je de tijd neemt, kun je ervaren hoe een anti-held op het doek groeit en groeit en uiteindelijk een formaat aanneemt dat zijn fysieke beperkingen verre overstijgt. Iets dergelijks gebeurt in vrijwel al zijn zelfportretten.
De ziel van dingen
Op de tentoonstelling is te zien dat Ket, naast zijn minutieuze detaillisme, wel degelijk ook snel en raak kon schetsen. Een in dikke verflagen uitermate suggestief opgezet stadsdoorkijkje (Straatje in Hoorn, ongedateerd) uit de tijd dat hij nog buiten kon schilderen en fragmenten uit zijn schetsboeken laten even een heel ander aspect van deze kunstenaar zien. Een stoere, rake hand die nimmer aarzelt, die zich opeens helemáál niet verliest in picturale haarkloverijen en details. Hetzelfde geldt voor de ongeremde liefde die hij schilderend aan de dag legde voor zijn vader Libbe Ket, een assistent-apotheker in dienst van het Nederlandse leger. Altijd snel opgezet, zien we hem langzaam oud worden, maar dierbaar blijven, hoewel duidelijk moegestreden achter zijn snor. Ket geeft zijn vader wel degelijk een onmiddellijk herkenbare menselijke emotie weer. Niet voor niets staat hij in zijn laatste onvoltooide Dubbelportret met Vader (1939-40) zij aan zij met hem. Dick in een nog nét niet clowneske verstarring, Libbe als een levend mens die bezig is oud te worden als alle mensen. Een ouderdom die de schilder – dat wordt in dit dubbelportret vlak voor zijn dood op onbarmhartige wijze duidelijk - onthouden zou worden.
Door het zien van reclame-affiches van de graficus Cassandre kwam Ket halverwege de jaren twintig onder de invloed van het kubisme. Net als bij de oceaanstomers, koffiekopjes en rookwaren op de reclameposters van zijn voorbeeld, wordt het kubisme bij Ket nooit totaal als bij een Picasso. Het is voor Ket enerzijds een middel om zijn voorstelling tot eenvoudige geschematiseerde elementen terug te brengen, maar tegelijkertijd gebruikt hij het kubisme om de kijker ruimtelijk op het verkeerde been te zetten. Heel ingewikkeld, eigenlijk. Die complexiteit is in haar meest subtiele vorm te zien in zijn wonderlijke stillevens die in de bovenzaal bijeengebracht zijn. Alweer denk je dat er geen perspectief is toegepast, of dat de perspectief niet klopt. Mis! Die schijnbaar kubistische reeks voorwerpen is wel degelijk vanuit één standpunt op het doek gezet. En dan nog wel vanuit het meest voor de hand liggende standpunt dat er is: het oog van de schilder, zittend voor een tafeltje met schijnbaar toevallig bijeengeraapte spulletjes. Soms zie je nog een stukje van zijn knie, of van zijn hand. In feite kiest Ket, wellicht aangespoord door zijn vermoeidheid, het meest banale, meest onmiddellijke kijkpunt dat er bestaat, maar waar geen andere schilder ooit op zou komen. Omdat het geen mooi plaatje oplevert, omdat het een onnatuurlijke vervorming van de perspectief teweegbrengt. En juist in die bizarre combinatie van welhaast absoluut realisme, absolute natuurgetrouwheid, in combinatie met een vleug schijn-kubisme, weet Ket een dramatiek op te roepen die haar weerga niet kent. Niemand is in staat de lichtval over een emaille bakje met een paar roestige blutsen erin, tot een zo aangrijpend verhaal te maken, dat het lijkt alsof je dat bakje van binnenuit kent. Alsof het ontoegankelijke materiaal vertelt hoe een ding niet alleen een ziel bezit, maar ook een levensloop.
Tussen die wereld van schijnbaar dode dingen treffen we op het doek Stilleven met Pietá uit 1931 een soort krantensnipper met daarop een amechtig wenende Maria die het hoofd van de dode Christus tegen zich aan drukt. Het is wellicht een reproductie van een schilderij van een van de Vlaamse meesters die Ket zo inspireerden. Juist door die staat van schijnbare achteloosheid waarin de reeds lang geleden tot pakpapier geworden krant met die foto tussen andere schijnbaar nutteloze dingen terecht is gekomen, maakt de verschrikkelijkheid, de smart van deze Pietá haast niet te dragen. Maar je moet er alwéér even de tijd voor nemen om die subtiele, fijnzinnig verpakte boodschap te kunnen ondergaan. Een boodschap die alleen zó door iemand gecamoufleerd kan worden, die zelf nog slechts als een verre toeschouwer naar de dramatiek van het eigen leven kijkt. Een dramatiek die bij Ket tegelijkertijd zo angstwekkend nabij was.